Latente belastingvorderingen en -verplichtingen worden gevormd voor tijdelijke verschillen tussen de boekwaarde van activa en verplichtingen in deze jaarrekening en de waarde in de aangifte vennootschapsbelasting. Latente belastingposities worden verantwoord tegen nominale waarde. De berekening hiervan is gebaseerd op de belastingtarieven die naar verwachting van toepassing zullen zijn bij de realisatie van de tijdelijke verschillen. Het gaat hierbij om de belastingtarieven die op balansdatum zijn vastgesteld, dan wel waartoe materieel al op balansdatum is besloten. Vanwege de aan IAS12 toegevoegde verplichte tijdelijke vrijstelling, zijn geen (eventuele) latente belastingvorderingen en -verplichtingen met betrekking tot winstbelasting op basis van ‘Pillar Two model rules’ verwerkt noch worden deze toegelicht.
Een latente belastingvordering wordt in de balans opgenomen, indien en voor zover het waarschijnlijk is, dat voldoende fiscale winst beschikbaar zal zijn. Saldering van latente belastingvorderingen en -verplichtingen vindt uitsluitend plaats, indien sprake is van een formeel recht tot saldering en het voornemen bestaat tot gelijktijdige verrekening van latente belastingposities. De latente belastingverplichting heeft hoofdzakelijk een langlopend karakter.
De latente belastingverplichting is met name gevormd vanwege de fiscaal lagere waardering van materiële vaste activa. Waarderingsverschillen zijn ontstaan bij de aanvang van de fiscale belastingplicht (1998), een commerciële herwaardering (2009) en de in het verleden gefaciliteerde mogelijkheid tot fiscaal willekeurig afschrijven. In aanvulling hierop zijn er latente belastingposities gevormd voor de impact van IFRS 16 (leases).
De latente belastingverplichting is als volgt opgebouwd:
|
€ miljoen |
2025 |
2024 |
|
Latente belastingverplichting materiële vaste activa |
441 |
441 |
|
Latente belastingverplichting gebruiksrecht activa |
33 |
29 |
|
Latente belastingvordering leaseverplichtingen |
-34 |
-29 |
|
Totaal |
440 |
441 |
De afname van de latente belastingverplichting met € 1 miljoen ten opzichte van 2024 wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door verwerking van de aangifte vennootschapsbelasting 2024 (verplichting + € 4 miljoen) en lagere fiscale afschrijvingen op materiële vaste activa in het boekjaar 2025 (verplichting - € 5 miljoen). De lagere fiscale afschrijvingen 2025 worden onder andere veroorzaakt door het deels terugnemen van in 2023 geboekte willekeurige afschrijvingslasten. Eén van de voorwaarden verbonden aan de willekeurige afschrijving 2023 was dat de activa vóór 2026 in gebruik moest zijn genomen. Enexis voldoet, zo blijkt in 2025, niet in alle gevallen aan deze voorwaarde. Bij het indienen van de aangifte vennootschapsbelasting 2025 zal nog worden onderzocht in hoeverre aannemelijk is dat de ingebruikneming door bijzondere omstandigheden is vertraagd.
In 2025 is de latente belastingverplichting afgenomen. Naar verwachting zet deze afname zich de komende jaren voort. Dit is het gevolg van het wegvallen van een deel van de fiscale afschrijvingslast. Specifiek gaat het om de fiscale afschrijvingslast die is gestart bij de aanvang van de belastingplicht. Deze afbouw gaat resulteren in hogere uitgaande kasstromen voor de vennootschapsbelasting.
Verrekenbare verliezen geleden vanaf 2013 zijn wettelijk onbeperkt in de tijd voorwaarts verrekenbaar. Ultimo 2025 beschikt Mijnwater Warmte Infra B.V. over verrekenbare voorvoegingsverliezen in de omvang van € 8 miljoen. Deze verliezen zijn niet gewaardeerd vanwege onzekerheid over de resultaatontwikkeling op het enkelvoudige niveau van Mijnwater Warmte Infra B.V..